1. Begin met vijf minuten
Een half uur oefenen is voor een kind een berg. Vijf of tien minuten voelt te doen, en meestal komt het spelen dan vanzelf op gang.
Korte sessies die je elke dag doet, werken beter dan één lange sessie in het weekend. Je hand en je hoofd onthouden meer als je vaak even speelt.
Spreek af dat het bij vijf minuten mag blijven. Speelt je kind daarna uit zichzelf door, mooi. Zo niet, dan heb je toch je afspraak gehaald en is de drempel morgen weer lager.
2. Kies een vast moment
Koppel het oefenen aan iets wat toch al elke dag gebeurt: meteen na school, na het eten of voor het tandenpoetsen. Dan hoef je niet elke dag opnieuw te onderhandelen.
Zet het instrument klaar op een plek waar je kind er langs loopt. Een gitaar in de kast blijft in de kast.
Kies een tijd waarop je kind nog energie heeft. Direct voor het slapengaan, als iedereen moe is, is meestal geen goed moment.
3. Laat je kind meebeslissen
Geef een keuze tussen twee dingen: eerst het lied van de les of eerst het lied dat je kind zelf leuk vindt. Of: nu oefenen of over een kwartier. Zo heeft je kind het gevoel dat het zelf iets te zeggen heeft.
Speel ook eens iets wat niet bij de les hoort, zoals een liedje uit een film of een spelletje. Dat is ook oefenen.
Het helpt ook om samen te kijken naar wat je kind wil kunnen spelen. Een kind dat een lied wil leren dat het zelf mooi vindt, oefent daar meestal meer voor.
4. Maak de voortgang zichtbaar
Kinderen merken zelf vaak niet dat ze beter worden. Daarom helpt het om te laten zien hoeveel ze al geoefend hebben: een kalender met een vinkje per dag, stickers of een timer die het bijhoudt.
Dat werkte bij ons ook bij lezen: als je kind ziet dat al die korte momenten optellen, wordt het makkelijker om de volgende ook te doen.
Het maakt niet uit hoe je dat doet. Het gaat erom dat je kind na een week kan zien: dit heb ik gedaan. Dat is voor veel kinderen een betere reden om door te gaan dan "want het moet".
5. Prijs de inzet, niet alleen het resultaat
Zeg "leuk dat je vandaag weer gespeeld hebt" in plaats van "dat klonk nog vals". Het resultaat wordt vanzelf beter, maar de inzet moet je kind zelf blijven opbrengen.
Vraag ook eens of je kind iets voor je wil spelen, en luister echt. Laat je kind niet voor familie of vrienden spelen als het dat niet wil.
Beloningen mogen klein blijven. Een sticker of een vinkje is genoeg; het gaat om het gevoel dat het opgemerkt wordt.
6. Weet wanneer je moet stoppen
Heeft je kind echt een slechte dag, stop dan zonder gedoe. Dwang maakt van oefenen iets vervelends, en dat wil je niet.
Blijft het weken duren, praat dan met de leraar. Misschien is het stuk te moeilijk, de les te lang of past het instrument niet meer. Soms is een pauze of een ander instrument de beste oplossing.
Een kind mag ook tijdelijk minder zin hebben. Kijk dan vooral naar de lange lijn: gaat het een paar weken later weer beter, dan was het een dip.